Hoe zie je dat aardappelen klaar zijn om te oogsten?
Het moment waarop aardappelen klaar zijn om geoogst te worden, hangt sterk af van het soort aardappel dat je hebt geplant. Er is namelijk een groot verschil tussen vroege aardappelen, die je direct opeet, en latere rassen die bedoeld zijn om de hele winter te bewaren.
Vroege aardappelen (primeuraardappelen)
Bij vroege rassen let je vooral op de bloei van de plant. Zodra de planten in volle bloei staan of de bloemetjes net beginnen uit te vallen, is het tijd om te oogsten. Vaak is dit al rond eind juni of begin juli. Het loof (de bladeren en stengels) is op dit moment nog mooi groen. Deze jonge aardappeltjes hebben een flinterdun schilletje en zijn ontzettend smaakvol, maar je kunt ze niet lang bewaren. Eet ze dus het liefst zo snel mogelijk op.
Bewaaraardappelen (late rassen)
Voor de latere rassen, die je in de herfst en winter wilt opslaan, kijk je naar het afsterven van de plant. Je wacht tot het loof volledig geel wordt, verdort en plat op de grond gaat liggen. Zodra de plant er eigenlijk dood uitziet, zijn de aardappelen onder de grond gestopt met groeien. Laat ze na het afsterven van het loof nog ongeveer twee weken in de grond zitten. Hierdoor hardt de schil uit, wat essentieel is om ze later goed te kunnen bewaren zonder dat ze gaan rotten.
De praktijktest: even voelen en graven
Twijfel je of het de juiste tijd is? De beste manier om erachter te komen is door simpelweg één plant voorzichtig uit te graven. Controleer het formaat van de knollen. Om te testen of de bewaaraardappelen klaar zijn, wrijf je met je duim stevig over de schil. Laat de schil makkelijk los? Dan hebben ze nog wat meer tijd nodig om af te harden. Blijft de schil mooi intact, dan kun je met een gerust hart de hele oogst binnenhalen.
Zorg er tot slot altijd voor dat je oogst op een droge dag. Als de grond te nat is, plakt de modder aan de aardappelen en drogen ze veel minder goed, wat de kans op schimmels en rot tijdens het bewaren vergroot.